Paul Combrink (1949)
studeerde aan de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunst in Den Haag.
Combrink schildert dagboeken. Hij produceerde inmiddels een omvangrijk totaalwerk. Het bestaat uit schilderijen die alle hetzelfde formaat (50x50 cm) hebben en die elk een foto in zich verbergen. Door middel van fotografie registreert hij wat zijn ogen zien. Laag over laag neemt hij zijn visuele notities mee in de tijd en ontstaan er andere werkelijkheden, die slechts de sporen in zich dragen van wat zijn ogen ooit zagen.
Door de wijze van archivering van de dagboeken ontstaan ook autonome ruimtelijke werken: beelden en doekenkasten. De reeksen en stapelingen van doeken krijgen een zelfstandige betekenis. Het is niet meer het beeld op doek dat leesbaar is; het werk laat zich lezen op de kaft.
Combrink exposeerde onder meer een aantal malen in de Haagse Kunstkring en in Galerie Nora Borges in Lissabon.
Werk van hem maakt deel uit van de collecties van de Amersfoortse, de Nederlandse Bank, Waarborgfonds, Artotheek Den Haag, CBK Rotterdam.